top of page

1 zijn (ik ben, jij bent, hij is; ik was, wij waren; is geweest)

2 zijn (het; o)

   1 be·staan (zelfst. ww) 


Soms een danser, in een theater of tijdens een battle.

Soms een presentator, voor publiek of voor een camera. 

Anders, zit ik te schrijven. Schrijvers dragen beige jasjes en ruiken vaak naar de wijn
van gisteren. Ze kijken altijd over hun bril naar het papier. Ik schrijf in onderhemd en
ruik naar het slokje van zojuist. Contactlenzen want het is 2024.

 

Ik notuleer slechts wat de wereld aan mij tentoonstelt. Ik ben een Brabander. Ik ben
meer dan dat. Ik ben een Eindhovenaar. Ik ben meer dan dat. Ik kom namelijk uit de
wijk Tongelre. Er is meer dan dat.

Technisch gesproken ben ik een Nederlander, wiens moeder Surinaams is met
Libanese en Joods-Portugese roots, en wiens vader Brits-Guyanees is met Amerindian 
roots. Een bloedlijn had slaven, een bloedlijn hield slaven. Tevens was een van mijn voorouders een Zeeuwse kapitein. Wacht. Hoofdpijn.

 

Het is minder dan dat. Ik kom gewoon uit Tongelre. 

Ik weet waar ik vandaan kom, hier ken ik het. Hier is het begonnen, hier is het nog steeds. 

Ik kom uit een familie van verhalen vertellers. Ik ben niet de beste. Maar zij publiceren niet. Ooit struikelde ik
de finale van de El Hizjra Literatuurprijs in. Vanaf toen liep het uit de hand en raakte ik professioneel de weg kwijt in verhalen.

Ik ben al jaren verdwaald tussen mensen. Ondertussen entertainen en irriteren jullie mij.

Ik blijf verdwaald, ik kan de weg niet vinden. Het is goed zo.

De gebaande paden zijn voor mensen die beige jasjes dragen. Ik blijf veilig op het gras staan. Voorlopig.

Terwijl ik sta kijk ik om mij heen. Jullie, de mensheid, zijn altijd zo druk bezig in de wereld. Het is fascinerend. Mijn schrift is de kleurplaat die jullie kleuren.

Mijn dank is groot. 

Dit zijn de manuscripten van een Verdwaalde Jongen.

bottom of page